recensie Eindhovens Dagblad: 40e editie Natuur en Sculptuur

Rob Schoonen

Ze heeft dit keer iets `luchtigs' willen ma­ken. De tijden zijn im­mers tamelijk somber en je ziet links en rechts wel heel zwaarwichtige kunst. En dus zocht Beatrijs van den Brink-Vandepoel het afgelo­pen jaar kunstenaars wier werk goed zou passen binnen dat luchti­ge uitgangspunt: Ze heeft die wer­ken gevonden voor haar veertigste editie van Natuur en Sculptuur. En zo zijn glas, keramiek en mar­mer de belangrijkste materialen en vormen vogels, golven en licht­puntjes een aantal van de onder­werpen.

Het mooie aan kunstzaal de Hoge Hees in Eersel is natuurlijk dat zo­wel binnen als buiten werk ge­toond kan worden; dat schept ruimte voor breekbare of minder grote objecten. Verder kent de ruimte buiten twee totaal verschil­lende sferen. Er is het deel met het hoge gras waarin traditiegetrouw simpelweg paden worden ge­maaid. Die omgeving leent zich uitstekend voor forse, zelfs stoere ohjecten die flink wat ruimte no­dig hebben. Het andere deel van de tuin, waar naald- en loofbo­men elkaar afwisselen, vraagt om meer intiem werk. De schaduwrij­ke plekjes tussen de stammen vra­gen om kleinere, zelfs geheimzinni­ge beelden. Van den Brink-Vande­poel maakt steevast dankbaar ge­bruik van die mogelijkheden en dat is dit keer - in het jubileum­jaar- niet veel anders.

Wie die beoogde sfeer prima ver­tolkt is Lyda Dirkse-de Heer. Zij is in Eersel present met tien beelden die zijn opgebouwd uit glas en ker­miek. Haar veelal vertikaal gerich­te bouwsels roepen associaties op met oude culturen, de Egytptische op de eerste plaats. `Lichtpuntjes' heeft ze bijvoorbeeld gemaakt, of zoiets als `Gevleugeld' en daarmee is prima verwoord wat de Zeister kunstenares voorheeft met haar objecten. Met diepe blauwe, paar­se en groene glazuren en engcbes worden de beelden nog meer Egyptisch en de combinatie met glas weet ze prima uit te buiten. Zeer esthetisch werk is het, dat in de volle zon prachtig schittert en glimt.

Veel basaler zijn de marmeren en albasten werken van Marijk Renia. De beeldhouwer heef een voorlief­de voor glooiende en vloeiende lij­nen en vlakken. Opmerkelijk is dat hij zich weinig gelegen laat liggen aan drie dimensies: zijn beelden kennen eigenlijk maar twee zijdes. Tom Seerden heeft iets met archi­tectuur, zoveel wordt duidelijk uit objecten als `Op weg naar de he­mel' en `Adelaarsnest'. Die werken bestaan uit bronzen bouwsels, ge­plaatst op een stonen pilaar. Die bouwsels zijn grappig, want heel ingenieus samengesteld. Jammer is dat Seerden niet verder durft te gaan in een vereenvoudiging van zijn beeldtaal: nog simpeler vor­men de architectonische bouwsels absoluut meer een eenheid met de rauwe `sokkels'  en laten ze de beschouwer ook meer ruimte om zelf `aan bet werk' te gaan.

Dat geldt in -meer of mindere mate ook voor de andere exposanten; sommigen lijken niet goed te we­ten wanneer te stoppen; wordt de beschouwer geconfronteerd met een woud aan details. Het is wel plezierig kijk-werk. Luchtig - inder­daad.